kenniscentrum seksuele diversiteit in het onderwijs
In de bovenbouw van de basisschool en de onderbouw van het voortgezet onderwijs leren jongeren hun eerste seksuele gevoelens kennen en doen ze hun eerste pogingen om vorm te geven aan een seksuele identiteit. In deze periode kijken jongeren de kunst af van anderen, en identificeren zij zich met rolmodellen, zoals populaire leeftijdsgenoten, popsterren, sporthelden, en docenten. Deze identificatie kan zo sterk zijn, dat ze doorslaat in conformisme en in het veroordelen van elk afwijkend gedrag.
Als de grote onzekerheden voorbij zijn en jongeren meer zelfstandigheid verwerven, ontstaat ruimte voor meer tolerantie ten opzichte van andere identiteiten en leefstijlen.
Met name in lager opgeleide groepen vinden we meer negatieve attitudes en gewelddadig gedrag ten opzichte van mensen die afwijken in het algemeen en van homoseksualiteit in het bijzonder. Dit afwerende gedrag hangt samen met de moeite die deze jongeren hebben met nuancering. Zij interpreteren de wereld bij voorkeur met behulp van rigide zwart/wit en goed/slecht tegenstellingen. In deze zin is homovijandigheid niet een specifiek verschijnsel onder deze groepen. Homovijandigheid hangt vrijwel altijd samen met conservatieve opvattingen over vrouwen, met rassendiscriminatie en minder permissieve attitudes ten opzichte van seksualiteit in het algemeen.
Homovijandigheid speelt op bijna alle scholen wel, maar de ernstige problemen doen zich met name voor in het VMBO en onder scholieren uit fundamentalistisch georiënteerde (gereformeerde en islamitische) kringen. Islamitische leerlingen hebben soms grote moeite met homoseksualiteit. Openlijk een homoseksuele voorkeur benoemen roept bij hen schaamte en minachting op. Dit uiten leerlingen soms door te roddelen, te schelden of door voor een homoseksuele docent op grond te spugen.
Dit alles en de media-aandacht hiervoor wekt de indruk dat allochtonen zich als enigen vijandig opstellen ten opzichte van homoseksualiteit. Dit klopt niet. Uit een peiling onder vertrouwenspersonen door de Inspectie (1998) bleek dat er in een kwart van de gevallen was er sprake van discriminatie door allochtonen. Uit een onderzoek door Forum (De Vries, 1999) blijkt dat de meerderheid van door haar geïnterviewde allochtone leerlingen tolerant maar niet accepterend staat ten opzichte van homoseksuele docenten. Slechts een kleine groep van met name Turkse en Marokkaanse leerlingen in het IVBO heeft een discriminerende houding tegenover docenten. De situatie op het IVBO wordt door hen en door Nederlandse leerlingen met dezelfde mentaliteit zo negatief dat dit tot problemen zou kunnen leiden als een docent uit zou komen voor zijn homoseksualiteit. Het lijkt erop dat leerlingen, die langer in Nederland verblijven, een tolerantere houding hebben. Volgens De Vries leven er veel misvattingen over homoseksualiteit onder de leerlingen, die via voorlichting kunnen worden aangepakt. Volgens de onderzoekster zijn de meeste scholieren hierop goed aanspreekbaar.
Dit is een hoofdstuk uit de brochure 'Een Vrolijke School'.
Ga naar de inhoudsopgave van de brochure.