kenniscentrum seksuele diversiteit in het onderwijs
21 mei 2007 - De plannen voor dit onderzoek werden op 17 mei 2006, de Internationale Dag Tegen Homofobie, openbaar gemaakt en nu, een jaar later, zijn de resultaten bekend. Doel van dit pilot onderzoek was het aanreiken van een kader voor politici en beleidsmakers, om maatregelen tegen homofobie binnen de Belgische federale overheid aan te scherpen.
De opdracht voor het onderzoek werd in het kader van het Europese Jaar van de Gelijke Kansen verleend door de Belgische Minister van Openbare Diensten en Gelijke Kansen, Christian Dupont, aan een onderzoeksafdeling van de Universiteit Leuven (CAP-sciences humaines). Het ging met name om onderzoek naar de werkomstandigheden en visie op homoseksualiteit onder ambtenaren in dienst van de Belgische federale overheid.
Allereerst stelden de onderzoekers een vragenlijst op om informatie over drie hoofdvragen te vergaren:
Op basis hiervan verfijnde het onderzoeksteam de uitkomsten van de vragenlijst door middel van groepsdiscussies, om zo interacties tussen homo- en heteroseksuelen in dienst van de federale overheid beter te leren begrijpen.
Van de 3483 aangeschreven personen in dienst van de federale overheid stuurden er 853 de vragenlijst terug - 8% van de respondenten verklaarde homo- of biseksueel te zijn.
De antwoorden lijken aan te tonen, dat een grote meerderheid van de ambtenaren geen last meer heeft van vooroordelen en stereotypen tegenover homoseksuelen. Een paar voorbeelden:
Op basis van de antwoorden stelden de onderzoekers een "homofobie barometer" op, die het merendeel van de deelnemers aan het onderzoek duidelijk boven de homofobie-drempel plaatst: in het kader van een mogelijke score van 10 (= helemaal niet homofoob) tot 70 (= geheel homofoob), is de gemiddelde score 27,06.
Dit getal geeft aan dat de ambtenaren ofwel vooroordelen en stereotypen ontzenuwd hebben, ofwel "politiek correct" antwoordden.
Enige nuancering is evenwel op zijn plaats: wanneer het om meer subtiele stereotypen gaat of wanneer het om de attitude van respondenten tegenover de eigen kinderen gaat ("Wat zou u ervan vinden, wanneer de leraar van uw zoon homo was?","Zou u over uw lesbische dochter praten?"), dan is een negatieve instelling duidelijker merkbaar en wordt de gemiddelde score resp. 36 en 43 (van 70).
Met betrekking tot de moeilijkheid om op het werk voor zijn/haar homoseksualiteit uit te komen, blijkt uit het onderzoek dat de helft van respondenten van mening is, dat het moeilijk is om op het werk uit de kast te komen. Sterker nog: een derde van de respondenten is van mening, dat uitkomen voor homoseksualiteit op het werk negatieve invloed op de loopbaan kan hebben.
Ook heeft 46% van respondenten wel eens grappen over homoseksuelen gehoord en 37% heeft denigrerende bewoordingen op het werk gehoord (zoals "pédé, tapette, folle, jeannette"). Eén op tien homo- of biseksuelen was zelf ooit het mikpunt van beledigingen.
De onderzoekers onderkennen zes "risikofactoren" die de mate van homofobie van een respondent negatief beinvloeden: wie geen homoseksueel in zijn kennissenkring heeft, van mannelijk geslacht is, getrouwd is, ouder dan 55 jaar is, in schaal D werkt en Franstalig is, heeft een grotere kans homofoob te reageren.
De onderzoekers betreuren overigens de gebleken terughoudendheid bij het verspreiden van de vragenlijst. Twee Van vijf uitgekozen personeelsdiensten weigerden de vragenlijst te verspreiden.
Het kwalitatieve onderzoek geeft aan dat begrippen als "seksisme" en "homofobie" nog bij de meerderheid van respondenten onbekend zijn en dat er nog steeds stereotypen en vooroordelen over homoseksuele mannen en lesbische vrouwen bestaan.
Weinig ambtenaren kennen een homo op het werk, nog minder kennen een lesbiënne ën biseksuelen zijn al helemaal onbekend.
Die geringe zichtbaarheid geeft respondenten de indruk, dat er geen of weinig belemmeringen zijn om homoseksueel te zijn in overheidsdienst. Niettemin geven deelnemers aan zich te kunnen voorstellen dat het niet-kunnen-uitkomen op het werk zich kan uiten in ongelukkig-zijn ("mal-être"}, zich terugtrekken ("inhibition") en de noodzaak van een dubbele identeit ("double comportement").
Terwijl respondenten denken dat homoseksuelen goed kunnen functioneren binnen de overheid, geven ze ook aan dat "discriminatie in woordgebruik" in de vorm van geruchten, grappen en grollen nog steeds bestaat.
Dit eerste pilot onderzoek geeft de Belgische federale overheid als spiegel van de Belgische samenleving weer: men is niet vijandig, maar stereotypen hebben een lang leven. Op de werkvloer blijkt meer voorlichting en grotere alertheid en het verspreiden van diepogaander kennis over het verschijnsel homofobie nodig.
Aandacht voor diversiteit binnen de overheid wordt inmiddels gevraagd via de 80 maatregelen uit het diversiteitsplan. Verder publiceert het Belgisch Staatsblad ("Moniteur Belge") zeer binnenkort nieuwe anti-discriminatiewetgeving. Voorlichting en informatie over de wetgeving, toegespitst op de overheid als werkgever, is eveneens in voorbereiding.
Buiten deze bestaande maatregelen geeft Minister Dupont nu opdracht beleid met het oog op de volgende doelen te ontwikkelen:
De Belgische federale overheid wil zich gedurende ook gedurende de komende kabinetsperiode inzetten voor meer gelijkheid van kansen voor iedereen, ten dienste van alle 10 miljoen Belgen.
Cap-Sciences humaines,
asbl associée à l’UCL,
Av. de l’Espinette, 18
1348 Louvain-la-Neuve
Inès de BIOLLEY 00 32 475 60.78.44 en
Melda ASLAN 00 32 2 790.51.34
[Bron: http://www.christiandupont.be/Page_Generale.asp?DocID=13308
met dank aan Luc Roger, vert./red. Frank Stevens]