CBOO komt met aanbevelingen homobeleid

21 april 2007 - In een toespraak in het Verzetsmuseum te Leeuwarden deed CBOO voorzitter Rob Tielman negen aanbevelingen voor toekomstig homobeleid. De aanbevelingen zijn gebaseerd op een aantal lokale bijeenkomsten, die CBOO in 2006 organiseerde over homoseksualiteit in het onderwijs.

bosatlas besteedt aandacht aan homofobie

Uit het onderzoek van het Studiecentrum Openbaar Onderwijs in 2004 bleek al dat de meeste leermiddelen geen aandacht besteden aan homoseksualiteit. Inmiddels is er al enige vooruitgang bereikt zoals blijkt uit de 53e editie van de Bosatlas, waarin voor het eerst aandacht wordt besteed aan de verspreiding van homovijandigheid in Europa en wereldwijd.

negen aanbevelingen

Op verzoek van de Minister van OCW heeft het CBOO in 2006 door middel van lokale bijeenkomsten onderzocht, welke mogelijkheden er zijn om de toenemende homovijandigheid in het onderwijs aan te pakken. Dit heeft geleid tot een negental aanbevelingen:

  1. Er moet geen apart homobeleid op scholen komen, maar het moet worden ingepast in het streven naar veilige en gezonde scholen zonder uit de aandacht te verdwijnen, zoals nu bij de meeste scholen het geval is.
  2. Schoolbesturen en schoolleiders moeten duidelijk maken, dat homodiscriminatie niet aanvaardbaar is. Dat gebeurt al bij Defensie en Politie, maar niet op de meeste scholen. Daardoor worden veel homo/lesbische docenten en leerlingen niet gesteund als zij aangevallen worden.
  3. Voorlichting over homoseksualiteit is niet zozeer de taak van homo/lesbische docenten, maar van alle docenten. Die laten het nu meestal afweten, wanneer bijvoorbeeld het woord "homo" als scheldwoord wordt gebruikt. Dit betekent dat ook lerarenopleidingen hieraan aandacht moeten besteden. Dat is nu meestal niet het geval.
  4. Met die voorlichting moet niet worden gewacht tot er seksuele voorlichting wordt gegeven. Dat moet al in het primair onderwijs gebeuren, omdat het gaat om het op respectvolle wijze omgaan met diversiteit. Dit is niet alleen van belang voor homo/lesbische docenten en leerlingen maar ook voor de tienduizenden leerlingen met homo/lesbische ouders, die door de meeste scholen genegeerd worden.
  5. Omdat veel scholen (vooral in de Randstad) leerlingen hebben afkomstig uit homovijandige culturen, moeten juist deze scholen duidelijk maken dat homovijandigheid in Nederland niet wordt aanvaard. Dit vraagt om bijscholing van de meeste docenten, die ten onrechte denken dat godsdienst een vrijbrief zou zijn om andersdenkenden te discrimineren.
  6. Vertrouwenspersonen zijn erg belangrijk om homo/lesbische docenten en leerlingen op te vangen als zij gediscrimineerd worden. Seksuele intimidatie vindt niet alleen plaats door docenten, maar ook door leerlingen die homo/lesbische docenten en leerlingen pesten of zelfs met geweld bedreigen.
  7. Veel scholen verschuilen zich achter onwillige ouders, terwijl uit het boek “Mijn meester is een homo” van Peter van Maaren blijkt, dat het juist veel heteroseksuele collega's zijn die er moeite mee hebben om voor homo/lesbische docenten en leerlingen op te komen.
  8. We moeten van een incidentenpolitiek (denken dat homodiscriminatie niet voorkomt tot er iets fout gaat) naar een preventief beleid, waardoor ook voor homo/lesbische docenten en leerlingen de school veilig en gezond wordt. De brochure “Iedereen is anders” die op www.onderwijsinspectie.nl te vinden is, moet ook door de inspectie consequent worden gebruikt om scholen te toetsen zoals is beloofd - maar meestal nog niet gebeurd.
  9. Voorlichting over homoseksualiteit is niet alleen een zaak voor het COC, maar voor heel het onderwijs en het CBOO zal daarbij een actieve rol vervullen.

niet terug bij af

Rob Tielman vertelde, dat het 40 jaar geleden is dat hij zijn eerste schoolvoorlichting over homoseksualiteit hield voor het COC in Utrecht. Toen was dit onderwerp op veel scholen onbespreekbaar en het lijkt erop alsof dit weer het geval is.Toch is er in de tussentijd veel veranderd: in 1971 werd het discriminerende artikel 248-bis afgeschaft dat homoseksuele contacten tot 21 jaar strafbaar stelde, in 1973 kreeg het COC voor het eerst sinds de oprichting in 1946 rechtspersoonlijkheid omdat het niet meer als een maatschappijvijandige organisatie werd gezien, in 1983 kwam de nieuwe grondwet die de gelijke behandeling van homo’s en lesbo's mogelijk maakte en in 2001 werd het burgerlijk huwelijk opengesteld voor paren van hetzelfde geslacht.
Tegenover die juridische vooruitgang staat helaas een sociale achteruitgang, vooral in het onderwijs waar de homovijandigheid de laatste jaren zorgelijke vormen heeft aangenomen. (PD)