kenniscentrum seksuele diversiteit in het onderwijs
Kuyper, L., Vanwesenbeeck, I., Dankmeijer, P. (2007), Nameting Adelmund pilots Utrecht, Rutgers Nisso Groep, november 2007
Dit onderzoeksrapport van de Rutgers Nisso Groep evalueert de effecten van experimenten met het invoeren van structurele aandacht voor seksuele diversiteit op twee Nederlandse scholen voor middelbaar onderwijs.
Download hier het volledige rapport
In 2002 zijn de Pilots Schoolbeleid Seksuele Diversiteit gestart, kortweg de Adelmund pilots genoemd. In de Adelmund pilots werd geëxperimenteerd met integraal schoolbeleid op het gebied van homo-emancipatie in het onderwijs. Dit gebeurde met behulp van de Peer Gespreksmethode. In deze methode werd via gesprekken tussen docenten meer onderlinge steun en betrokkenheid gecreëerd ten aanzien van het bespreekbaar maken van homoseksualiteit en discriminerend gedrag. Een aantal docenten kreeg de opdracht elkaar te interviewen over werkbeleving en omgangvormen op school. Het gaat daarbij niet om traditionele interviews met een vragenlijst, maar om persoonlijke gesprekken over drijfveren en interesses. Na de gesprekstraining interviewen deze docenten elk twee of drie collegas. Daardoor ontstaat in het hele team een nieuwe betrokkenheid. De resultaten van de interviews, inclusief ideeën en suggesties om de situatie te verbeteren, worden daarna in het team besproken. Op basis van korte gespreksverslagen wordt vervolgens door een kerngroepje van docenten en de directie bepaald wat de school verder zou kunnen doen.
De twee scholen waar de nameting is uitgevoerd, worden om privacy redenen in dit rapport school A en school B genoemd. School A is een vmbo-school en school B is een scholengemeenschap (vmbo tot vwo). Geen van beide scholen staan in de randstad. Om de eerste onderzoeksvraag naar de ontplooide activiteiten en evaluatie van de docenten te beantwoorden, is op de scholen een aantal interviews en een on line vragenlijst afgenomen bij docenten. Zowel bij het project betrokken docenten als nieuwkomers op de school zijn geïnterviewd. Hiermee is geprobeerd een beeld te verkrijgen van de activiteiten die ten tijde van de start van de pilots zijn gedaan en of deze activiteiten zijn gecontinueerd en breder zijn geïmplementeerd. Voor het beantwoorden van de tweede onderzoeksvraag is dezelfde vragenlijst die in 2004 voor de voormeting is gebruikt afgenomen in dezelfde klassen. Het betreft hier dus niet dezelfde leerlingen, maar wel dezelfde leerniveaus.
Op beide scholen zijn docenten getraind door Frits Prior en deze hebben vervolgens gesprekken gevoerd met hun collegas. Deze gesprekken worden voornamelijk positief beoordeeld. De scholen verschillen in hoe zij verder homo-emancipatie vorm geven. Op de ene school is de gedragscode aangepast naar aanleiding van de Adelmund pilots (homoseksualiteit wordt hier niet expliciet in genoemd), is er meer toezicht en meer tijd voor het mentoraat gekomen en wordt er ingegrepen bij het gebruik van homo als scheldwoord. Op de andere school zijn er bredere maatregelen en activiteiten met betrekking tot seksuele diversiteit: er wordt aan alle tweede klassen voorlichting gegeven door het COC, onder het paraplu-project (dat zich richt op sociale veiligheid) is specifiek aandacht voor seksuele diversiteit, leerlingen uit 6-vwo zijn ook getraind en interviewen jongere leerlingen, alle derde klassen krijgen de voorstelling van AanZ te zien, tijdens het 4-havo kamp (dat zich richt op het jezelf ontdekken) is ook aandacht voor seksuele diversiteit, de schoolgids is aangepast en er is een beleidsvisie over veiligheid verschenen waarin seksuele diversiteit ook een plaats heeft.
Maar het uiteindelijke effect van de maatregelen en activiteiten is, om een aantal redenen, moeilijk te bepalen. Ten eerste is de on line vragenlijst voor docenten door een kleine groep ingevuld. Binnen deze groep bestaan grote verschillen in opvattingen over de effectiviteit van het project. Aan de resultaten kan weinig waarde worden gehecht, door de tegenstrijdigheden, de beperkte omvang van de groep en de grote tijdsspanne tussen de start van het project en de nameting. Tijdens de interviews met de docenten kwam meer informatie naar boven. Ook hier viel op dat de docenten onderling van mening verschillen over het effect en de noodzaak van het ingevoerde beleid.
Vervolgens is het moeilijk om het directe effect van het project te bepalen. Hier zijn een aantal redenen voor. Ten eerste vinden docenten het moeilijk om de situatie vóór en na het project te vergelijken, omdat het project al enige tijd geleden is gestart. Docenten kunnen zich vaak niet meer herinneren hoe het precies is gegaan. Vervolgens is het scheiden van het project en algemene ontwikkelingen op onderwijsgebied moeilijk. Een school is een dynamische instelling, en er gebeurt veel in drie jaar tijd: structuren en directies veranderen, de werkdruk stijgt, openlijk homoseksuele docenten komen en gaan, de aandacht voor pesten in het algemeen is toegenomen en andere onderwerpen (bijvoorbeeld overgewicht) komen in de belangstelling te staan. Dit heeft allemaal invloed op de homo-emancipatie, en dus op de uitwerking van de Adelmund pilots. Ook is het bepalen van het directe effect van het project moeilijk omdat een school zich niet bevindt in een maatschappelijk vacuüm.
Een derde factor die het bepalen van het effect van de pilots benadeelt is sociale wenselijkheid. De acceptatie van homoseksualiteit is onderhevig aan sociaal wenselijke antwoorden. Het is moeilijk te bepalen wat leerlingen en docenten écht vinden.
Met de hierboven genoemde slagen om de arm zijn er twee effecten van de pilots die op beide scholen genoemd worden en door beide scholen aan het project worden toegeschreven: het vergroten van de bewustwording en daarmee samenhangend het creëren van een draagvlak.
Docenten zijn er zich bewuster van dat acht procent van de Nederlanders op mensen van hun eigen geslacht vallen, dat zij gekwetst kunnen worden door grapjes of opmerkingen (ook al zijn die niet zo bedoeld) en dat anders zijn gerespecteerd moet worden.
Door die bewustwording onder docenten wordt er meer draagvlak gecreëerd voor aandacht en activiteiten op het gebied van seksuele diversiteit. Om een voorbeeld te noemen: de voorstelling van AanZ die elk jaar aan alle derde klassen gegeven wordt op school B, is aangeboden door de GGD en is dus geen expliciet onderdeel van het project. Maar doordat het project meer draagvlak en bewustzijn heeft gecreëerd, is het wel makkelijker geworden om deze activiteiten te implementeren.
Tot slot is uit de interviews en de vragenlijsten een aantal tips en aanbevelingen van docenten naar voren gekomen.
Er is ook een aantal punten voor verbetering waar docenten het niet over eens zijn.
Op leerlingenniveau is er tussen 2004 en 2007 een aantal veranderingen opgetreden. Op beide scholen wordt door leerlingen onderling meer gepest, maar er lijkt minder te worden gepest door docenten.
Op school A is ook de attitude ten opzichte van de docenten onder leerlingen positiever geworden. Maar op die school zijn er ook indicaties dat de rest van het schoolklimaat negatiever is geworden: de sfeer in klas is slechter geworden en het aantal oplossingen dat leerlingen hebben als ze worden gepest, is afgenomen.
Op school B komt er een iets ander beeld naar voren: leerlingen geven aan zich minder veilig te voelen om zichzelf te kunnen zijn en zich vaker onveilig te voelen in de aula of kantine. Daar staat tegenover dat de sociale steun bij pesten is toegenomen en er vaker in de klas besproken wordt hoe leerlingen met elkaar omgaan.
Als er wordt gekeken naar de veranderingen in de houding ten opzichte van homoseksualiteit, dan is er niet veel veranderd op school A: de leerlingen keuren weliswaar het gebruik homo als scheldwoord vaker af, maar daar staat tegenover dat de frequentie van dat gebruik wel is toegenomen. Op school B hebben meer veranderingen plaats gevonden: de leerlingen zijn positiever gaan denken over jongens die met jongens zoenen en meisjes die met meisjes zoenen. Tegelijkertijd wordt ook hier homo vaker als scheldwoord gebruikt, en is de sociale steun aan gepeste homoseksuele of lesbische medeleerlingen afgenomen.
Op leerlingenniveau is het ook lastig om aan te geven wat nu het effect van de pilots is en of dat effect positief dan wel negatief is. Aan de ene kant is het ongunstig dat in de sociale afstand ten opzichte van homoseksuele medeleerlingen, het open staan voor informatie over homoseksualiteit en de mogelijkheden om open te zijn over gevoelens voor mensen van het eigen geslacht niets is veranderd. Aan de andere kant is te zien dat de sociale afstand ten opzichte van allochtone klasgenoten op beide scholen is toegenomen. Ook zijn op de school waar geen verandering was in de houding ten opzichte van zoenende homos de leerlingen wel negatiever geworden over zoenende heterostellen. Dat in dit verharde schoolklimaat de houding ten opzichte van homoseksualiteit niet negatiever is geworden, is wellicht als een winst te beschouwen.
Ook bij de leerlingen speelt sociale wenselijkheid een grote rol, en vinden de veranderingen op school plaats in een breder maatschappelijk kader. Dit komt bijvoorbeeld naar voren bij het gebruik van homo als scheldwoord: op de ene school geven de leerlingen in grotere getale aan dat zij dat niet vinden kunnen, maar aan de andere kant gebruiken ze het wel vaker als scheldwoord dan in 2004. Het lijkt er dus op dat de leerlingen hebben begrepen dat het eigenlijk niet kan, maar dat verdere bewustwording achterwege is gebleven. Ook kan het gebruik van homo als scheldwoord een maatschappelijke trend zijn, zodat de school daar relatief weinig invloed op kan uitoefenen.
Het was van meet af aan duidelijk dat er een aantal kanttekeningen is te plaatsen bij de onderzoeksmethode.
Zoals uit het bovenstaande blijkt, is het onmogelijk om harde uitspraken te doen over het effect van het Adelmundproject.
Op docentniveau zijn er wel aanwijzingen dat de pilots hebben bijgedragen aan een grotere bewustwording onder docenten met betrekking tot seksuele diversiteit, en het creëren van een draagvlak voor maatregelen en activiteiten op dit gebied.
Onder leerlingen is het beeld diffuus. Er zijn enkele voorzichtige aanwijzingen dat er positieve resultaten zijn geboekt, maar er zijn ook negatieve ontwikkelingen te zien. De acceptatie van homoseksualiteit is op de scholen nog lang niet voltooid. Interventies die hier een bijdrage aan kunnen leveren zijn dan ook hard nodig.
Het blijft van belang om het effect van deze interventies met onderzoek vast te stellen. De huidige studie laat, ondanks de vele methodologische beperkingen, zien dat er positieve resultaten geboekt kúnnen worden. Maar alleen grootschalige en gestructureerde interventies kunnen in de toekomst zorgen voor een kwalitatief hoogstaande evaluatiestudie.