kenniscentrum seksuele diversiteit in het onderwijs
Aan:
Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (VWS), directie Sociaal Beleid
CC Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen
Amsterdam, 13 april 2005
Kenmerk: PD05-02
Onderwerp: reactie op evaluatie homobeleid
Geachte heer Baks,
In de afgelopen maanden organiseerde het Ministerie van VWS een brede veldraadpleging in het kader van de evaluatie van het homo-emancipatiebeleid van de rijksoverheid. Empowerment Lifestyle Services helaas was niet in de gelegenheid deze bijeenkomsten te bezoeken.
Inmiddels is de raadpleging grotendeels achter de rug. De meeste organisaties gaven aan dat de aanpak van homodiscriminatie in het onderwijs een prioriteit moet zijn. Uit de verslagen blijkt echter dat zij geen onderbouwde suggesties voor OCW beleid in de komende jaren hadden. Dat is de reden waarom Empowerment Lifestyle Services op de valreep toch nog komt met een eigen reactie. Wij hopen dat deze nog kan worden meegenomen in de evaluatie.
In de media en de politiek gaat veel aandacht naar incidenten rond allochtonen en spanningen in de multiculturele samenleving. Het is duidelijk dat de bespreekbaarheid van homoseksualiteit in multi-etnische scholen moeilijk ligt en dat de stilzwijgende steun voor antihomoseksuele intimidatie in multi-etnische buurten een enorme aanslag is op de veiligheid van homoseksuele allochtonen en autochtonen in die buurten.
In de afgelopen jaren is geëxperimenteerd met dialoogmethoden en met deskundigheidsbevordering over Islam en homoseksualiteit. Deze methoden zijn ambitieus ingezet, maar hebben in scholen weinig impact gehad. Empowerment vindt dat wel logisch. Deze methoden blijken moeilijk over te dragen naar scholen. Wat kan een docent met relatief specialistische informatie over Islam en homoseksualiteit in een woordenwisseling met een beledigende Marokkaanse jongeman? De context van het klassikaal lesgeven laat zich niet zo makkelijk combineren met een dialoogmethode.
Empowerment beveelt aan dat er geëxperimenteerd wordt met praktische methoden om docenten te leren omgaan met dagelijks voorkomende situaties. De kennis van Dialoogexperts, Stichting Yoesuf, onderwijsbegeleiders en Empowerment Lifestyle Services moet gecombineerd worden tot enkele simpele, door docenten en directieleden hanteerbare manieren van aanpak.
In de suggesties voor beleid komt geregeld de roep om meer voorlichting. Empowerment wil erop wijzen dat specifieke voorlichting weliswaar effectief is op korte termijn (het uitdoofeffect is circa 3 maanden), maar geen zoden aan de dijk zet voor structurele verbeteringen in het schoolbeleid. Voor overheden is het zaak om voorstellen voor meer voorlichting op leerlingenniveau kritisch te bekijken op hun bijdrage aan structurele verbeteringen en haar kosten-baten effectiviteit. Veel bestaande voorlichting moet nog een kwaliteitsslag maken. De voorlichtingen door COC vrijwilligers en andere homoverenigingen kunnen sterk uiteen lopen qua kwaliteit, het is dringend noodzakelijk dat deze structureel verbeterd wordt. De COC voorlichtingsgroep in Leiden is een van de lokale groepen die heeft laten zien dat een dergelijke kwaliteitsslag mogelijk is.
Scholen zouden met steun van de regering meer moeten inzetten op het betrekken en deskundigheidsbevordering van docenten en directieleden. Docenten moeten zich weer kunnen richten op waarom zij ooit voor hun vak hebben gekozen: omdat zij hart hebben voor de opvoeding van jongeren. Een open houding, nieuwsgierigheid, respect en mensenrechten zijn essentiële facetten van dit pedagogische ideaal.
Directies hebben in het afgelopen decennium geleerd hoe zijn zélf de school kunnen "beheren". Nu richt de aandacht zich op de diepere laag van goed management: human resources en motivatie. Hoe kunnen schoolmanagers hun werknemers stimuleren en motiveren om hun élan ten volle tot ontplooiing te brengen? Wat is de relatie daarvan met onderlinge relaties tussen leerlingen en de relatie tussen docent en leerling? Dat zijn kernvragen. Het dagelijks omgaan met culturele, gender en seksuele verschillen is in alle opzichten een van de meest uitdagende aspecten daarvan.
Overigens zal het klakkeloos aanbieden van cursussen weinig opleveren. Dat blijkt wel uit de geringe belangstelling van scholen voor het aanbod van Empowerment Lifestyle Services en van Stichting Yoesuf. We zullen eerst de bredere onbespreekbaarheid en onverschilligheid moeten aanpakken.
Uit het onderzoek "Beter voor de klas, beter voor de school" blijkt dat een open werkklimaat op school, gecombineerd met een heldere disciplinaire aanpak die ook doorgevoerd wordt voor homo-intimidatie, de oplossing biedt voor problemen. Een actieve voorbeeldfunctie en aandacht door de directie is daarvoor van doorslaggevend belang. Helaas ontbreekt het daaraan nog al eens.
Een van de leerervaringen van de afgelopen jaren en proefprojecten is dat de betrokken scholen pas bereid waren mee te werken na enkele oriënterende gesprekken met mensen die zij persoonlijk kenden en vertrouwden. Meestal was deze benadering van scholen een samenwerking van belangenbehartigers en professionele schoolbegeleiders, waarbij de schoolbegeleiders de feitelijke gesprekken deden.
Empowerment beveelt daarom aan om zulke oriëntatierondes vaker te organiseren. Het rijk, provincies en gemeenten kunnen dit faciliteren.
Om te zorgen dat de resultaten van de lopende proefprojecten echt worden opgepikt door scholen, zullen de resultaten actief moeten gedeeld. Dat is niet alleen een kwestie van informeren of trainen, maar vooral van overtuigen en begeleiden. Die activiteiten zijn niet "op vraag" uit te voeren. Hiervoor zou een voorziening moeten komen die hiervoor een reeks van jaren de tijd (geld) heeft.
Als de lopende proefprojecten een aantal goede voorbeelden opleveren, is de volgende vraag in hoeverre andere scholen deze willen overnemen. Er is geen "vraag" op dit punt, dus van "marktwerking" moeten we het niet hebben. Empowerment heeft er weinig vertrouwen in dat de scholen zonder stimulans hun eigen verantwoordelijkheid zullen nemen.
De scholen zullen van diverse kanten geprikkeld moeten worden om deze verantwoordelijkheid te nemen. De vragen van de Onderwijsinspectie zijn één manier, maar gezien de beperkingen van het Inspectiebezoek relatief oppervlakkig. Lokale inventarisatierondes zijn veel beter, maar door de inschakeling van professionele leerlingenbegeleiders relatief duur - zeker gezien de beperkte budgetten van veel gemeenten.
COC Nederland en Empowerment Lifestyle Services hebben inmiddels door middel van een "vrolijke scholen campagne" initiatief genomen om zelf via vrijwilligersteams met scholen in gesprek te gaan. Deze methode om het maatschappelijk middenveld met scholen in constructief gesprek te laten gaan over kwaliteitseisen is relatief goedkoop en direct. Overigens blijkt uit het verloop van deze campagne dat er veel behoefte op scholen is aan een aanpak waarbij ook de leerlingen en ouders worden betrokken. Een aanvullend project "De vrolijke schooldag" is onlangs aan OCW voorgelegd ter ondersteuning.
Het algemene beeld van homodiscriminatie in Nederlandse scholen is er een van afstandelijkheid. De tolerantie onder autochtone Nederlanders is weliswaar in de loop der jaren toegenomen, maar er is vooral sprake van tolerantie zolang het op afstand blijft. Het gevolg is dat men geen rekening houdt met behoeften van homoseksuelen. Zo is men zich scholen doorgaans volkomen onbewust of onverschillig ten opzichte van emotionele of educatieve behoeften van homo/lesbische leerlingen. Collega-docenten of directieleden weten niet hoe zij moeten omgaan met conflicten of andere knelpunten die zich voordoen bij homoseksuele of lesbische collega's.
De afstandelijkheid ontstaat omdat maatschappelijke instellingen en burgers nog steeds vrezen dat zij teveel met homoseksualiteit geassocieerd zullen worden. Dit blijkt een groot imagoprobleem te zijn en toont aan dat de acceptatie van homoseksualiteit nog zeer beperkt is. De meeste mensen en instellingen geven er de voorkeur aan het niet over homoseksualiteit te hebben. Dit heeft verstrekkende negatieve gevolgen voor pogingen om integratie van homoseksualiteit in het veiligheidsbeleid te bereiken. Een voorbeeld komt uit de momenteel lopende proefprojecten. Zelfs in scholen, die na lang zoeken bereid waren mee te werken zulke proefprojecten, kon dat alleen worden gedaan als het project "naar buiten toe" niet identificeerbaar was als "homoproject".
In de proefscholen werkt men "intern" nu wel aan meer expliciete integratie van homoseksualiteit. Maar helaas ziet Empowerment ook vaak dat schooldirecties (bijvoorbeeld naar de Onderwijsinspectie, of naar de wethouder van onderwijs) beweren dat homoseksualiteit "volledig geïntegreerd" in het beleid wordt meegenomen. Doorgaans hebben zij zelfs niet de moeite hebben genomen bij docenten te informeren hoe zij dat doen. Empowerment adviseert dringend aan overheden en schoolbegeleiders om bij rapportage van "geïntegreerd meenemen van homoseksualiteit" kritisch door te vragen naar hoe dat dan gebeurt.
Uit het boek "Meester is homo" blijkt helder hoe de huidige klachtenregeling onvoldoende effect heeft om homospecifieke incidenten aan te pakken. Klachtencommissies en vertrouwenspersonen hebben alleen mandaat om klachten van leerlingen jegens docenten aan te pakken, maar andersom niet. Dit zorgt voor schrijnende situaties.
De regering moet het mogelijk maken dat homoseksuele slachtoffers van discriminatie (dus ook docenten en leerlingen in het geval van leerling-leerling conflicten) verhaal kunnen halen. De klachtenregeling moet zodanig worden aangepast dat ook docenten een klacht kunnen indienen tegen discriminerende of intimiderende leerlingen. Daarbij zou het goed zijn om een tijdelijk vangnet op te zetten voor homoseksuele docenten die dreigen uit te vallen. Inmiddels is duidelijk dat homoseksuele docenten vooralsnog niet kunnen rekenen op de steun van hun werkgevers.
De rijksoverheid en lokale overheden sturen steeds duidelijker aan op resultaatverantwoordelijkheid van maatschappelijke instellingen die door hen gefinancierd worden. De rijksoverheid zou daarin het goede voorbeeld moeten geven en ook zichzelf een resultaatverantwoordelijkheid moeten opleggen. Het gaat uiteindelijk om het verminderen van negatieve houdingen en gedrag ten opzichte van homoseksuelen. Als deze resultaten niet bereikt kunnen worden omdat lagere schakels in de beleidsketen hun verantwoordelijkheid onvoldoende nemen, is het de taak van de rijksoverheid de kwaliteit van de beleidsketen en de beleidsuitvoering te analyseren en te verbeteren. Het kan niet zo zijn dat het beleid strand op onverschilligheid bij gemeenten of scholen en dat de rijksoverheid daar niet op reageert.
De resultaten moeten meetbaar zijn en gemonitord worden. Dat betekent dat vragen hierover meegenomen moeten worden in onderzoeken naar jeugd en naar veiligheid op scholen. Hierbij kan gebruik gemaakt worden van de wetenschappelijk verantwoorde vragenlijsten die de Rutgers NISSO Groep onlangs voor het onderwijs heeft ontwikkeld.
In de contacten naar scholen kunnen gemeenten, provincies en rijk randvoorwaarden creëren en regisseren. Daarnaast kunnen zij een stimulerende rol innemen, vooral als de instellingen die uiteindelijk non discriminatiebeleid moeten uitvoeren, die taak niet waarmaken. De nationale overheid heeft die opdracht overigens expliciet via de kaderrichtlijn voor non discriminatie van de Europese Unie. Er kan niet teveel op het bord van de gemeenten worden gelegd, omdat die zeker na 2006 een marginale rol hebben in de aansturing van het onderwijs.
Ik hoop dat deze suggesties u inspireren!
Met vriendelijke groet,
Peter Dankmeijer,
coördinator Empowerment Lifestyle Services